plaatselijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plaat·se·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen plaatselijk plaatselijker plaatselijkst
verbogen plaatselijke plaatselijkere plaatselijkste
partitief plaatselijks plaatselijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

plaatselijk

  1. betrekking hebbend op een bepaalde plaats
    • Het is een plaatselijke regenbui. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie