buitenplaats

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·ten·plaats
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buitenplaats buitenplaatsen
verkleinwoord buitenplaatsje buitenplaatsjes

Zelfstandig naamwoord

buitenplaats v/m

  1. grote huizen waar rijke mensen uit de stad vooral in de zomer wonen, die men ook wel hofstede of landhuis noemt
    • Aan de Vecht liggen veel prachtige buitenplaatsen. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be