pik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pik
3 enkelvoud meervoud
naamwoord pik
verkleinwoord
1 & 2 enkelvoud meervoud
naamwoord pik pikken
verkleinwoord pikje pikjes

Zelfstandig naamwoord

pik m

  1. (informeel) geslachtsdeel van de man, penis
  2. zeis, houweel
  3. m/o; pek, teer
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Spreekwoorden
  • Ergens de pik op hebben.
  • Pikkende vingers hebben = plakkende vingers door bijvoorbeeld stroop.
Vertalingen
1.

Werkwoord

vervoeging van
pikken

pik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pikken
    • Ik pik. 
  2. gebiedende wijs van pikken
    • Pik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pikken
    • Pik je? 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Lets

Woordherkomst en -opbouw

Tussenwerpsel

pik

  1. drup, het geluid van neervallende druppels