geslachtsdeel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·slachts·deel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geslachtsdeel geslachtsdelen
verkleinwoord geslachtsdeeltje geslachtsdeeltjes

Zelfstandig naamwoord

geslachtsdeel o

  1. (anatomie) (seksualiteit) elk lichaamsdeel dat wordt gerekend tot de voortplantingsorganen, zoals bij de man de penis en de teelballen
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie