leuter

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • leu·ter
enkelvoud meervoud
naamwoord leuter leuters
verkleinwoord leutertje leutertjes

Zelfstandig naamwoord

leuter m

  1. (anatomie), (informeel) het mannelijk geslachtsdeel

Werkwoord

vervoeging van
leuteren

leuter

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leuteren
    • Ik leuter. 
  2. gebiedende wijs van leuteren
    • Leuter! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leuteren
    • Leuter je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
84 % van de Vlamingen.