houweel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

houweel
Uitspraak
Woordafbreking
  • hou·weel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘werktuig, bik’ voor het eerst aangetroffen in 1296 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord houweel houwelen
verkleinwoord houweeltje houweeltjes

Zelfstandig naamwoord

houweel o [3]

  1. (gereedschap) een metalen werktuig voor hakken in steen of aarde met een beitelvormig uiteinde en een puntvormig uiteinde
    • - Eerder had ik me al afgevraagd wat het embleem betekent dat in de gevel van het huis gebeiteld is, hamer en houweel met gekruiste stelen, anno 1908. Ik zoek rond, op de elektriciteitskast tussen de struiken staat: TEUTONIA. [4] 
    • - Op het Rode Plein ben ik niet geweest. Lenin heb ik niet gezien. Ik werk alleen maar! Met schop, houweel en kruiwagen. Ik druip de hele dag, als een watermeloen.[5] 
  2. (gereedschap) bijl waarmee men bomen kan omhakken
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen