druppel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

vallende druppel
Uitspraak
Woordafbreking
  • drup·pel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vochtdeeltje’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • afgeleid van drup met het achtervoegsel -el [2] en volgens regel 2.B[3]
enkelvoud meervoud
naamwoord druppel druppels
verkleinwoord druppeltje druppeltjes

Zelfstandig naamwoord

druppel m

  1. kleine hoeveelheid vloeistof die niet in contact is met een andere vloeistof
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • de druppel die de emmer doet overlopen
het kleine verschil tussen iets wat erg is en wat te erg is
  • die lijken als twee druppela op elkaar
ze lijken heel veel op elkaar
  • een druppel op de gloeiende plaat
een heel kleine bijdrage aan iets veel groters, vaak als smoes aan te geven dat die kleine bijdrage niet geleverd hoeft te worden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
druppelen

druppel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van druppelen
    • Ik druppel. 
  2. gebiedende wijs van druppelen
    • Druppel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van druppelen
    • Druppel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. etymologiebank.nl
  3. [1] Taalunieversum » leidraad » verdubbeling van medeklinkers