teer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • teer
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van Germaans *terwo-, wat waarschijnlijk afkomstig is van *trewo- ( zie ook het Engelse 'tree'), van het Indo-Europese *drew ‘boom’. Cognaat van o.a. het Engelse tar, Duitse Teer en Zweedse tjära.
enkelvoud meervoud
naamwoord teer
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

teer m/o

  1. een olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen teer teerder teerst
verbogen tere teerdere teerste
partitief teers teerders -


Bijvoeglijk naamwoord

teer

  1. broos, breekbaar
    • Dat zijn zeer tere bloemen. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
teren

teer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van teren
    • Ik teer. 
  2. gebiedende wijs van teren
    • Teer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van teren
    • Teer je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie