pikker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pik·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pikker pikkers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

pikker m

  1. een vogel die pikkende bewegingen maakt met de snavel
    • Inmiddels is op basis van het genetisch kaartenmateriaal ook een gen geïdentificeerd op chromosoom 1, dat waarschijnlijk te maken heeft met verenpikken; een groot probleem in zowel de legbatterij als bij scharrelkippen. Zacht verenpikken is, zeker bij jonge kuikens, een vorm van sociaal gedrag. Zowel in de legbatterij als in de scharrelschuur ontwikkelt een deel van de kuikens zich echter tot `harde' pikkers, die hun soortgenoten tot bloedens toe verwonden en zelfs doodpikken. Door snavels te kappen, vermindert de ernst van de gevolgen, maar een echte oplossing is het niet. Bovendien mag het niet meer over twee jaar. [1] 
    • 'Vlaanderen in de wereld' toont een oneindige variatie aan dieren uit alle continenten, waarin de kleine pikkers de parasieten uit de pels van de grotere plukken. De ring is metafoor voor het samenspel en dialoog tussen grote en kleine landen. Landen en mensen rond de tafel hebben elkaar nodig en moeten met elkaar communiceren. [2] 
  2. iemand die iets steelt met de handen
Synoniemen
Hyponiemen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Joost van Kasteren 15 mei 2004 Kip ik heb je
  2. De Standaard 14 JUNI 2008 Egide Lismond Kraaien boeien mensen