snoek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snoek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord snoek snoeken
verkleinwoord snoekje snoekjes

Zelfstandig naamwoord

snoek m

  1. (vissen) een roofvis die in zoete wateren voorkomt
  2. een figuur uit de acrobatiek, nl. de positie van de bovenpersoon wanneer deze horizontaal op de handen van een staande of voeten van een liggende onderpersoon ligt. (bv. de hoge of de lage snoek)
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl

Werkwoord

vervoeging van
snoeken

snoek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snoeken
    • Ik snoek. 
  2. gebiedende wijs van snoeken
    • Snoek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snoeken
    • Snoek je?