pikzwart

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pik·zwart
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van pik (hars, pek) en zwart.
stellend
onverbogen pikzwart
verbogen pikzwarte
partitief pikzwarts

Bijvoeglijk naamwoord

pikzwart

  1. (intensief) heel zwart, absoluut donker
    • Het was een maanloze, pikzwarte nacht. 
    • Zijn zwarte gezicht met de dikke lippen joeg de omstanders schrik aan, en ze deinsden terug voor de pikzwarte ogen, waartegen het oogwit opvallend afstak. [1]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Thea Beckman en Jan Wesseling (1991). Het wonder van Frieswijck. Amsterdam: CPNB. ISBN 90-70066-92-0