Naar inhoud springen

haat

Uit WikiWoordenboek
  • haat
enkelvoud meervoud
naamwoord haat -
verkleinwoord - -

dehaatm

  1. sterk gevoel van vijandschap
     In de brieven probeerde ik advies te geven over thema’s zoals omgaan met verlies en het vermijden van zelfmedelijden. Maar ook schreef ik mijn gedachten op over relaties, emoties, vrouwen, mannen, kinderen, verslaving, angst en haat.[4]
     Het idee dat de komst van een tweede per definitie de onherstelbare onttroning van de eerste betekent, dat haat en nijd richting de kleine nieuwkomer allesbepalend zijn, blijkt vooral dat: een idee.[5]
     In tegenstelling tot haat kan medelijden diep weggestopt worden.[6]
vervoeging van
haten

haat

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van haten
  2. gebiedende wijs van haten
     Maar hij haat verrassingen.[7]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[8]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. haat op website: Etymologiebank.nl
  3. "haat" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Lynn Berger
    “De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697
  6. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  7. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

haat

  1. vier