haat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • haat
enkelvoud meervoud
naamwoord haat -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘diepe afkeer’ voor het eerst aangetroffen in 1287 [1]
  • Gesubstantiveerde werkwoordsstam van haten[2]

haat m [3]

  1. een sterk gevoel van vijandschap
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

Werkwoord

vervoeging van
haten

haat

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van haten
  2. gebiedende wijs van haten


Tetum

Hoofdtelwoord

haat

  1. vier