plasser

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plas·ser
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord plasser plassers
verkleinwoord plassertje plassertjes

Zelfstandig naamwoord

plasser m

  1. persoon, meestal mannelijk, die urineert
    • Voortaan staan permanent twee fietsen tegen haar muur. Het ontmoedigt de eerste plasser en daarmee allen die na hem komen, zegt ze. "Vreemd genoeg plassen ze alleen op plaatsen waar een ander heeft gestaan." [2]
    • Eén handicap: de rechtshandige plasser is staande tijdens hevige schommelingen nogal in het nadeel. Op de toiletten zit de handgreep rechts. [3]
  2. (eufemisme), (informeel) geslachtsorgaan, voornamelijk dat van een jongen
    • Arie is een beetje dik. Hij heeft altijd grote korte broeken aan. Een keer zag ik zijn plasser eruit bungelen. Hé jóh, zei ik, ik zie je piemel! [4]
    • Het kind had immers gesproken over: iets dat vader Henk had en zij, Miesje, niet — een plasser. [5]
    • Merk op dat ze borsten begint te krijgen, misschien straks ook haartjes bij haar plasser. Het is toch hartstikke leuk dat met je dochter te bespreken? [6] 
Synoniemen
Hyponiemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Noors

Woordafbreking
  • plas·ser
Naar frequentie 4960

Werkwoord

plasser

  1. gebiedende wijs van plassere

Zelfstandig naamwoord

plasser, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van plass


Nynorsk

Woordafbreking
  • plas·ser

Werkwoord

plasser

  1. gebiedende wijs van plassere