lid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lid
enkelvoud meervoud
naamwoord lid leden
verkleinwoord lidje lidjes

Zelfstandig naamwoord

lid o

  1. iemand die behoort tot een groep, vereniging, organisatie of sekte
    • De NCRV heeft nieuwe leden nodig om deze te kunnen blijven uitzenden! 
  2. deel van een paragraaf van een wetsartikel
    • De tekst van art. 269, derde lid, b), is van toepassing vanaf 10.01.2005. 
  3. mannelijk geslachtsdeel
    • Zijn lid in mijn mond. 
  4. ooglid
  5. (anatomie) deel van het lichaam
  6. (biologie) deel van een insect
  7. (biologie) deel van de stengel dat zich tussen de twee knopen bevindt
    • De knoop is de plaats waar een blad aan de stengel vastzit en een lid is een stuk stengel tussen twee knopen. 
  8. (taalkunde) deel van een samengesteld woord
    • Het eerste lid van een samenstelling. 
  9. (verouderd) deksel
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Iets onder de leden hebben
niet helemaal gezond zijn
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord lid lede

Zelfstandig naamwoord

lid

  1. lid


Engels

Zelfstandig naamwoord

lid

  1. deksel
Synoniemen