fluit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Antieke fluiten
Fluit van scheidsrechter enz.
Fluitschepen
Moderne champagnefluit

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fluit
enkelvoud meervoud
naamwoord fluit fluiten
verkleinwoord fluitje fluitjes

Zelfstandig naamwoord

fluit v/m

  1. (muziekinstrument) een blaasinstrument
  2. een op luchtstroom werkend signaalinstrument
  3. (scheepvaart) een zeventiende en achtiende eeuws, zeegaand vrachtschip met drie masten
  4. een wijn/champagneglas met voet, het antieke model (17e eeuw) is erg lang en taps toelopend, het moderne is korter en boller, maar nog wel vrij slank
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
fluiten

fluit

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fluiten
    Ik fluit.
  2. gebiedende wijs van fluiten
    Fluit!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fluiten
    Fluit je?
    Hij fluit voor een overtreding van de voetballer.