pas

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pas

Bijwoord

pas

  1. even tevoren.
    Ik heb pas de nieuwe plaat van mijn favoriete band gekocht.
  2. nog niet lang.
    Ik ben nog maar pas afgestudeerd.
  3. niet eerder dan.
    Die winkel gaat pas om half twee weer open.
  4. in nog hogere mate.
    Vind jij dat mooi? Dit is pas een mooi schilderij!
Synoniemen
  1. (even tevoren)
  2. (nog niet lang)
  3. (niet eerder dan)
Verwante begrippen
Antoniemen
Anagrammen
Vertalingen

Tussenwerpsel

pas

  1. om aan te geven dat men de beurt voorbij laat gaan.
    Ik kan geen goede zet doen. Pas!

Werkwoord

vervoeging van
passen

pas

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
    Ik pas.
  2. gebiedende wijs van passen
    Pas!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
    Pas je?
enkelvoud meervoud
naamwoord pas passen
verkleinwoord pasje pasjes

Zelfstandig naamwoord

pas m

  1. het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan.
    Let op je passen en trap niet in die hondendrol!
  2. manier van lopen.
    Vertraag je pas eens zodat de rest van de groep kan volgen.
  3. door een overheid verkregen identiteitsbewijs.
    Laat je pas eens zien, onder de 18 jaar mag je hier niet binnen.
  4. doorgang tussen bergtoppen, waar men over de bergkam heen kan.
    Die pas voerde hen over de bergkam heen.
  5. (in België) (sport) schot naar een medespeler
    De voetballer geeft een pas naar zijn ploeggenoot.
Synoniemen
  1. (het plaatsen van de voet)
  2. (manier van lopen)
  3. (identiteitsbewijs)
  4. (doorgang tussen bergtoppen)
  5. (schot naar een medespeler)


Uitdrukkingen en gezegden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen pas
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

Niet in de woordenlijst van de Taalunie (als bijvoeglijk naamwoord)
pas

  1. passend
  2. waterpas
    deze vloer ligt niet pas

Meer informatie


Frans

Uitspraak
Woordafbreking
  • pas
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  pas     le pas     pas     les pas  

Zelfstandig naamwoord

pas m

  1. pas (het plaatsen van de voet)
  2. pas (manier van lopen)

Bijwoord

ne ... pas

  1. niet
    «Je ne fume pas
    Ik rook niet.


Kroatisch

Zelfstandig naamwoord

pas m

  1. (dierkunde) hond