bijtrekpas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·trek·pas
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bijtrekpas bijtrekpassen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bijtrekpas

  1. (sport) zijwaartse beweging waarbij eerst een voet opzij wordt gezet, waarna je de andere voet erbij aansluit
    • Die badmintonner gebruikte een bijtrekpas om naar een verre shuttle te gaan. 

Gangbaarheid