bas

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bas
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bas bassen
verkleinwoord basje basjes

Zelfstandig naamwoord

bas m

  1. zanger met een basstem, baszanger

bas v/m

  1. laagste partij in een muziekstuk
  2. laagste mannenstem
  3. (muziek) (beroep) een zanger met deze lage mannenstem
  4. (muziekinstrument) het laagstklinkende muziekinstrument uit een familie, bijvoorbeeld contrabas, basgitaar etc.
  5. (Jiddisch-Hebreeuws) dochter, meisje
  6. (Jiddisch-Hebreeuws) stuiver
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Verwijzingen
  1. bas bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bassen

bas

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bassen
    Ik bas.
  2. gebiedende wijs van bassen
    Bas!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bassen
    Bas je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Meer informatie