bas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search
contrabas [4]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bas
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Jiddisch, in de betekenis van ‘Bargoens: stuiver, dubbeltje’ voor het eerst aangetroffen in 1860 [1]
  • [2]
  • [2.5, 2.6] Herkomst: Jiddisj [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord bas bassen
verkleinwoord basje basjes

Zelfstandig naamwoord

bas m [4] [5] [6] [7] [8]

  1. zanger met een basstem, baszanger

bas v/m

  1. laagste partij in een muziekstuk
    • Op de piano speelt men met de linkerhand de baspartij 
  2. laagste mannenstem
  3. (muziek) (beroep) een zanger met deze lage mannenstem
    • De corpulente man had een prachtige bas 
  4. (muziekinstrument) het laagstklinkende muziekinstrument uit een familie, bijvoorbeeld contrabas, basgitaar etc.
    • De contrabas wordt staande bespeeld. 
  5. (Jiddisch-Hebreeuws) dochter, meisje
  6. (Jiddisch-Hebreeuws) stuiver
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bassen

bas

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bassen
    • Ik bas. 
  2. gebiedende wijs van bassen
    • Bas! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bassen
    • Bas je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen