taille

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tail·le
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘middel van het lichaam’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1254 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord taille tailles
verkleinwoord tailletje tailletjes

Zelfstandig naamwoord

taille v/m

  1. het middelste deel van het lichaam
    • De broek zit wat strak rond de taille. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

taille v

  1. (spreektaal) spotternij
    «Ce mec, à force de balancer des tailles, il va se faire rétamer.»
    Als die kerel de hele tijd spottende opmerkingen blijft maken, wordt hij straks in elkaar geslagen. [1]

Verwijzingen