Naar inhoud springen

pás

Uit WikiWoordenboek

pás m

  1. riem, gordel; een strook stof, meestal leer op heuphoogte rond het lichaam
  2. band; breed koord, langwerpige strook
  3. rupsband; brede band of ketting waarmee een voertuig over oneffen terrein kan rijden
  4. strook; (dun) voorwerp waarvan de lengte groot is in vergelijking met de breedte
  5. (anatomie) taille
  6. (kleding) taille
  1. opasok m, remeň
  2. remeň, pruh m
  3. –
  4. pruh m, pásmo o, zóna v
  5. –
  6. –
  • pás
  • Afgeleid van het Proto-Slavische *pojasъ

pás monbezield

  1. riem, gordel; een strook stof, meestal leer op heuphoogte rond het lichaam
    «Nosí za pasem bambitku.»
    Hij draagt een pistool achter zijn riem.
  2. band; breed koord, langwerpige strook
    «Pracuje u běžícího pásu.»
    Hij werkt aan de lopende band.
  3. rupsband; brede band of ketting waarmee een voertuig over oneffen terrein kan rijden
  4. strook; (dun) voorwerp waarvan de lengte groot is in vergelijking met de breedte
    «Kolem silnice vysázeli zelený pás.»
    Langs de weg plantten ze een groene strook.
  1. pásek monbezield, opasek monbezield
  2. řemen monbezield, popruh monbezield, dopravník monbezield
  3. –
  4. pruh monbezield, pásmo o, zóna v, pole o

pás

  1. (anatomie) taille
    «Uvázala zástěru kolem pasu.»
    Zij bond een schort om haar taille.
  2. (kleding) taille
    «Zjistila, že šaty jsou úzké v pase.»
    Ze stelde vast dat de jurk krap was in de taille.