skipas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ski·pas
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord skipas skipassen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

skipas m

  1. een toegangsbewijs, dat geldig is voor één of meer dagen, voor een skigebied en de daarbij behorende skiliften
    • Dat neemt niet weg dat de duurste skigebieden nog altijd in Zwitserland liggen. Zermatt, Sankt Moritz en Saas-Fee vragen meer dan 300 euro voor een zesdaagse skipas, Davos en Arosa zitten daar maar net onder. Ook populaire Franse wintersportplaatsen als Val Thorens en Les Arcs zitten rond dat bedrag.[1] 
    • „Wij zien daarnaast dat de belangstelling voor de wintersport toeneemt, als bijvoorbeeld de skipas in de prijs is inbegrepen en er genoeg sneeuw ligt. De run op zonzekerheid speelt zich vooral af op de Canarische Eilanden, Kaapverdië en Rode Zee”, zegt Petra Kok van reisorganisatie TUI.[2] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. de Telegraaf 13 okt. 2017
  2. de Telegraaf PAUL ELDERING 04 okt. 2017