net

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • net
enkelvoud meervoud
naamwoord net netten
verkleinwoord netje netjes

Zelfstandig naamwoord

net o

  1. een geheel van fijne draden vaak gebruikt om dieren te vangen
    De vissers waren hun netten aan het boeten.
  2. samenstel van elkaar kruisende of snijdende lijnen, wegen enz.
  3. netwerk, stelsel van zaken, apparaten of personen die nauw met elkaar in contact staan
  4. (wiskunde) stelsel van krommen in het platte vlak, dat lineair afhangt van twee parameters
  5. (medisch) vetrijk vlies tussen buik en ingewanden
  6. internet
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen net netter netst
verbogen nette nettere netste

Bijvoeglijk naamwoord

net

  1. proper, rein, schoon, ordelijk, keurig
    Zijn kamer maakte een nette indruk.
  2. (van kleding) geschikt voor officiële gelegenheden
  3. fatsoenlijk
Antoniemen
Vertalingen

Bijwoord

net

  1. kort geleden, zojuist, even tevoren
    De krant van gisteren? Die heb ik net weggegooid.
  2. juist
  3. precies als
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
netten

net

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van netten
  2. gebiedende wijs van netten


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord net nette

Zelfstandig naamwoord

net

  1. net
    «Vanaf November tot Mei patrolleer die klub ook die nette wat bedoel is om baaiers te beskerm teen gevaarlike jellievisse.»
    Vanaf november tot mei patrouilleert de club ook de netten die bedoeld zijn om de badgasten te beschermen tegen gevaarlijke kwallen.

Bijwoord

net

  1. slechts, alleen
    «Net 'n smal strepie land verbind die middestad met die strandoorde in die suide.»
    Slechts een smalle strook land verbindt de binnenstad met de badplaatsen in het zuiden.


Engels

enkelvoud meervoud
net nets

Zelfstandig naamwoord

net

  1. net
    «The nets were damaged and needed repair.»
    De netten waren beschadigd en moesten hersteld worden.
stellend vergrotend overtreffend
net - -

Bijvoeglijk naamwoord

net

  1. netto
    «His net income was not very high.»
    Zijn netto-inkomen was niet zo hoog.


Fries

Woordafbreking
  • net

Bijwoord

net

  1. niet


Latijn

Werkwoord

vervoeging van
nāre

net

  1. actief conjunctief praesens, derde persoon enkelvoud van nāre