passen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(heteroniem)

Woordafbreking
  • pas·sen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘afpassen’ voor het eerst aangetroffen in 1350 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
passen
paste
gepast
zwak -t volledig

Werkwoord

passen

  1. absoluut precies de goede maat zijn, erin kunnen
    • Dit jasje past me goed. 
  2. overgankelijk zien of iets de juiste maat is
    • Die broek is al gepast en zit goed, nu deze nog even proberen. 
  3. inergatief (kaartspel) (bridge) een biedbeurt voorbij laten gaan
    • Daarna werd er drie keer gepast en zat hij met een ongelukkig bod aan zijn broek. 
  4. onovergankelijk schikken, uitkomen, voegen, gelegen komen
    • Past het u dat ik morgen langs kom? 
  5. onovergankelijk (spel) een beurt voorbij laten gaan
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
passen
passte
gepasst
zwak -t volledig

Werkwoord

  1. overgankelijk (sport) (de bal) naar een medespeler spelen

Zelfstandig naamwoord

passen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord pas

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie