vangnet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vang·net
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vangnet vangnetten
verkleinwoord vangnetje vangnetjes

Zelfstandig naamwoord

vangnet o

  1. een net waarin men iemand van grote hoogte kan opvangen zonder dat die persoon ernstig gewond raakt
    • Gelukkig was er een vangnet onder de koorddanser toen hij misstapte en naar beneden viel. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.