schoon

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schoon
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen schoon schoner schoonst
verbogen schone schonere schoonste

Bijvoeglijk naamwoord

schoon

  1. mooi (vooral in Vlaanderen en Limburg)
  2. net, proper, rein, milieuvriendelijk (vooral in Nederland)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

schoon

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord proper, gereinigd
    schoonwrijven: hij trachtte zijn jas schoon te wrijven.

Voegwoord

schoon

  1. hoewel, ofschoon
    Jantje zag eens pruimen hangen,
    O! als eieren zo groot.
    't Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,
    Schoon zijn vader 't hem verbood.
    [1]

Werkwoord

vervoeging van
schonen

schoon

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schonen
    Ik schoon.
  2. gebiedende wijs van schonen
    Schoon!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schonen
    Schoon je?
Verwijzingen
  1. Hiëronymus van Alphen