ordelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • or·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ordelijk ordelijker ordelijkst
verbogen ordelijke ordelijkere ordelijkste
partitief ordelijks ordelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

ordelijk [2]

  1. rustig en zonder uitspattingen
    • Vanwege het ordelijke verloop van de demonstratie mochten de agenten eerder naar huis. 
  2. met een bepaalde regelmaat
    • Mijn buren hebben een overdreven ordelijk huishouden. 
Synoniemen
Antoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen