Naar inhoud springen

netjes

Uit WikiWoordenboek
  • net·jes
stellend
onverbogen netjes
verbogen (alleen
predicaat)

netjes

  1. tot netheid geneigd
    • Zij is altijd al erg netjes geweest. 
  2. voorspelbaar, ordelijk
     Hij loopt naar het kleine bruin geverfde, verweerde huis op nummer 60 aan Frustuck Avenue, neemt de achtendertig treden van de stenen trap en stapt de deur binnen, schopt zijn schoenen uit en zet ze netjes naast de hare.[1]
     Hij stapte kordaat de trap op naar Orbius en gaf hem de postulatus, netjes samengebonden in een koker met zegel en rood lint, terwijl zijn aanhangers luidruchtig klapten, Caelius ook, tot Cicero hem met een blik tot stilte maande.[2]
     'Je weet nooit of je slechts één zaadje voor het volgende hoofdstuk van je leven bij je draagt, al zou je het nog zo prettig vinden als het allemaal zo netjes vaststond ' Ze zwijgt even.[3]

netjes

  1. op een nette manier
    • Hij heeft zijn kamer netjes opgeruimd. 

denetjesmv

  1. verkleinwoord meervoud van het zelfstandig naamwoord net
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. Johan Harstad
    “Max, Mischa & het Tet-offensief” (2017), Podium (uitgeverij), ISBN 9789057598500
  2. “Imperium” (2006), Cargo, ISBN 9023420535
  3. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be