netjes

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • net·jes
Woordherkomst en -opbouw
  • Afleiding van net met het achtervoegsel -jes dat er een bijwoord van maakt.
stellend
onverbogen netjes
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

netjes dim. tant.

  1. tot netheid geneigd
    • Zij is altijd al erg netjes geweest. 

Bijwoord

netjes

  1. op een nette manier
    • Hij heeft zijn kamer netjes opgeruimd. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

netjes mv

  1. verkleinwoord meervoud van het zelfstandig naamwoord net

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be