network

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
network networks

Zelfstandig naamwoord

network

  1. netwerk
    «A gel is based on a covalently bonded network of molecules.»
    Een gel is gebaseerd op een covalent gebonden netwerk van moleculen.
  2. omroeporganisatie
    «Cable television brought the emergence of numerous new networks
    Kabeltelevisie bracht het ontstaan van talrijke nieuwe televisieorganisaties.
vervoeging
onbepaalde wijs to network
he/she/it networks
verleden tijd networked
voltooid
deelwoord
networked
onvoltooid
deelwoord
networking
gebiedende wijs network

Werkwoord

network

  1. netwerken
    «He was networking by going to all the professional meetings.»
    Hij was bezig met netwerken door naar alle vakbijeenkomsten te gaan.