netten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • net·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
netten
nette
genet
zwak -t volledig

Werkwoord

netten

  1. (palindroom) in een net zien te vangen
    • Na de vis te hebben genet, kwam ie met een brede grijns naar de kant gevaren. 

Zelfstandig naamwoord

netten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord net

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.