fatsoenlijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fat·soen·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen fatsoenlijk fatsoenlijker fatsoenlijkst
verbogen fatsoenlijke fatsoenlijkere fatsoenlijkste
partitief fatsoenlijks fatsoenlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

fatsoenlijk

  1. degelijk
    • De grasmaaier was een fatsoenlijk apparaat. 
  2. op een nette manier zonder te morsen en te smakken
    • Hij kan niet eens fatsoenlijk eten. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie