fatsoenlijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fat·soen·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen fatsoenlijk fatsoenlijker fatsoenlijkst
verbogen fatsoenlijke fatsoenlijkere fatsoenlijkste
partitief fatsoenlijks fatsoenlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

fatsoenlijk

  1. degelijk
    • De grasmaaier was een fatsoenlijk apparaat. 
     'Voor mij is een fatsoenlijke maaltijd: entree, plat, kaas, dessert', zegt Frédéric Deidier (49), terwijl hij enthousiast op zijn enorme buik kletst.[1]
  2. op een nette manier zonder te morsen en te smakken
    • Hij kan niet eens fatsoenlijk eten. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Peter Giesen “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant