alleen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·leen
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: allene (al + een)
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: alone, Duits: allein, Fries: allinne
Noord: Deens: alene
enkelvoud meervoud
naamwoord alleen allenen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

alleen o

  1. (scheikunde) een organische verbinding met twee belendende dubbele bindingen
    Propadieen (H2C=C=CH2) is het eenvoudigste alleen.
stellend
onverbogen alleen
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

alleen

  1. zonder gezelschap
    Laat mij alleen met al mijn verdriet.
  2. zonder hulp of medewerking
    Ik heb helemaal alleen mijn veters gestrikt!
  3. zich beperkend tot iets
    Ik heb alleen de woonkamer gestofzuigd.
Synoniemen
Vertalingen

Bijwoord

alleen

  1. slechts - bijvoorbeeld "Hij is niet alleen intelligent, hij is ook knap."
  2. met dit voorbehoud - bijvoorbeeld "Deze maaltijd mag alleen in de magnetron bereid worden."
Synoniemen
Vertalingen


Deens

Woordafbreking
  • al·le·en

Zelfstandig naamwoord

alleen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van alle
Schrijfwijzen