Naar inhoud springen

alleen

Uit WikiWoordenboek
  • al·leen
  • In de betekenis van ‘bijwoord: zonder gezelschap’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • etymologiebank [2]
    • afkomstig van:
    Middelnederlands: allene (al + een)
    • Verwant in Germaans:
    West: Engels: alone, Duits: allein, Fries: allinne
    Noord: Deens: alene
enkelvoud meervoud
naamwoord alleen allenen
verkleinwoord - -

hetalleeno

  1. (scheikunde) een organische verbinding met twee belendende dubbele bindingen
    • Propadieen (H2C=C=CH2) is het eenvoudigste alleen. 
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen alleenalleneralleenst
verbogen allenerealleenste
partitief alleensalleners-

alleen

  1. zonder gezelschap
    • Laat mij alleen met al mijn verdriet. 
     Het idee om een lange tijd alleen door te brengen trok mij enorm aan, maar vond ik tegelijkertijd doodeng omdat ik geen ervaring had met langdurig alleen zijn.[3]
  2. zonder hulp of medewerking
    • Ik heb helemaal alleen mijn veters gestrikt! 
  3. zich beperkend tot iets
    • Ik heb alleen de woonkamer gestofzuigd. 
     Die kennis alleen al was uiterst waardevol.[4]
     Zo snel als TMF opkwam, zo snel verdween de zender ook weer van het toneel. Een hoop vj's vertrokken naar concurrenten. Na 2008 begon de populariteit snel af te nemen en in de eerste maanden van 2011 was de zender alleen nog van 06.00 uur tot 15.00 uur op tv.[5]
     "Vanuit Delft zitten ze goed in de sommetjes, in Utrecht heb je bijvoorbeeld paleomagnetisme", omschrijft Hoogendoorn het werkveld. "En aan de VU zit heel veel systeemkennis. Vooral het lab waarmee de VU bijvoorbeeld sediment dateert is internationaal bekend. Er zijn volgens mij maar drie plekken in de wereld waar ze dat doen. Niet alleen de VU heeft dus een probleem: je haalt er ook internationaal meteen de stekker uit."[6]

alleen

  1. slechts
    • Hij is niet alleen intelligent, hij is ook knap. 
  2. met dit voorbehoud
    • Deze maaltijd mag alleen in de magnetron bereid worden. 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[7]
  1. "alleen" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. alleen op website: Etymologiebank.nl
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044628142
  5. Bronlink geraadpleegd op 2 mei 2025 Weblink bron “30 jaar geleden begon TMF, herinneringen nog springlevend” (1 mei 2025), NOS
  6. Bronlink geraadpleegd op 6 mei 2025 Weblink bron
    Sven Schaap
    “Werkveld luidt noodklok op actiedag tegen verdwijnen aardwetenschappen VU” (6 mei 2025), NOS
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
  • al·le·en
Naar frequentie zeldzaam

alleen

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van allé
  • al·le·en
Naar frequentie 153487

alleen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van allé
  • al·le·en

alleen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van allé

alleen

  1. alleen

alleen

  1. alleen