dier

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dier
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: dier
Oudnederlands: dier
Germaans: *deuzan
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: deer (Angelsaksisch: dēor), Duits: Tier, (Oudhoogduits: tior), Fries: dier (Oudfries: diār)
Noord: Zweeds: djur, Deens/Noors: dyr, (Oudnoords: dýr, djór), IJslands: dýr, Faeröers: dýr, djór
Oost: Gotisch: dius
enkelvoud meervoud
naamwoord dier dieren
verkleinwoord diertje diertjes

Zelfstandig naamwoord

dier o [2]

  1. (dierkunde) met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
Synoniemen
Antoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Gewerveld dier.
Anagrammen
Vertalingen

Aanwijzend voornaamwoord

dier

  1. (verouderd) genitief vrouwelijk enkelvoud van die
    «Het huis dier vrouw.»
    Het huis van die vrouw.
  2. (verouderd) genitief meervoud van die
    «Het gedrag dier lieden.»
    Het gedrag van die lui.
Uitdrukkingen en gezegden
  • te dier zake
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dier dierder dierst
verbogen diere dierdere dierste
partitief diers dierders -

Bijvoeglijk naamwoord

dier [4]

  1. kostbaar
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Woordafbreking
  • dier

Zelfstandig naamwoord

dier

  1. dier


Fries

Zelfstandig naamwoord

dier

  1. dier