buideldier

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·del·dier
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buideldier buideldieren
verkleinwoord buideldiertje buideldiertjes

Zelfstandig naamwoord

buideldier o

  1. (dierkunde) zoogdiersoort uit de infraklasse Marsupialia op Wikispecies waarvan de wijfjes een buidel hebben, waarin hun vroeggeboren jongen verder in opgroeien
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen