buideldier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·del·dier
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zoogdier dat het jong in een buidel draagt’ voor het eerst aangetroffen in 1869 [1]
  • samenstelling van  buidel   en  dier   [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord buideldier buideldieren
verkleinwoord buideldiertje buideldiertjes

Zelfstandig naamwoord

buideldier o

  1. (zoogdieren) zoogdiersoort waarvan de wijfjes een buidel hebben, waarin hun vroeggeboren jongen verder in opgroeien
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen