hoefdier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoef·dier
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zoogdier met hoeven’ voor het eerst aangetroffen in 1921 [1]
  • samenstelling van  hoef  en  dier 
enkelvoud meervoud
naamwoord hoefdier hoefdieren
verkleinwoord hoefdiertje hoefdiertjes

Zelfstandig naamwoord

hoefdier o

  1. (dierkunde) een dier dat hoeven bezit
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord hoefdier hoefdiere

Zelfstandig naamwoord

hoefdier

  1. (dierkunde) hoefdier