beest

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • beest
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beest beesten
verkleinwoord beestje beestjes

Zelfstandig naamwoord

beest o

  1. (dierkunde) dier, gebruikt om het aardse, niet menselijke van een dier te benadrukken
    • In het verotte vlees krioelde het van de beestjes. 
     Plotseling verstijfde ik. Midden op het pad lag een reusachtige ratelslang te zonnen, de koningin van de woestijn. Ik schrok me kapot en sprong meteen achteruit. Wat een beest![4]
     In die reservaten is er voldoende voedsel voor die beesten.[5]
  2. (figuurlijk) benaming voor een mens, meestal een man, als men wild en dierlijk gedrag wil aangeven
    Kan zowel een positieve als negatieve bijbetekenis hebben: Wat een beest! kan afhankelijk van de context zowel bewondering voor een krachtsinspanning als afschuw voor immoreel gedrag uitdrukken.
    • De dronken man gedroeg zich als een wild beest. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beesten

beest

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van beesten
  2. gebiedende wijs van beesten

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen


Drents

Zelfstandig naamwoord

beest

  1. (zoogdieren) koe; een vrouwelijk rund
Schrijfwijzen
Synoniemen


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

beest

  1. (zoogdieren) koe; een vrouwelijk rund
Schrijfwijzen
Synoniemen

Meer informatie