kruipdier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kruip·dier
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kruipdier kruipdieren
verkleinwoord kruipdiertje kruipdiertjes

Zelfstandig naamwoord

kruipdier o

  1. dieren die laag bij de grond lopen
    • Dezelfde huid die trouwens deliriumlijders kan opzadelen met zoveel gejeuk en gekriebel dat er wanen vol knaag- en kruipdieren uit kunnen voortkomen. [1] 
  2. iemand die onderdanig altijd bevestigd wat een hogergeplaatste zegt
    • Dick werd op 1 oktober 2009 ingejubeld als de Messias. Eindelijk zou het weer wat worden met de Rode Duivels. Binnen de kortste keren vestigde de Hagenaar zijn alleenheerschappij in Brussel en omstreken. Advocaat beschikte en besliste. Hij duldde alleen nog piccolo’s om zich heen die zich uitsloofden in nederigheid en slijmzucht. Kruipdieren, zeg maar. Ook de spelers sidderden voor de bondscoach. Wie met een Vuittontas op training verscheen, kon meteen inpakken. Toen Vincent Kompany te laat arriveerde van de begrafenis van zijn oma stuurde Advocaat hem wandelen. Nooit eerder kon Dick zich zo ongeremd uitleven in het hem bekende machtige Poetingevoel. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. NRC Marianne Vermeijden 28 december 2009 Van de man met vuile voeten, de homunculus...
  2. NRC Hugo Camps 17 april 2010 Boerenkrijg
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be