huisdier

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huis·dier
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huisdier huisdieren
verkleinwoord huisdiertje huisdiertjes

Zelfstandig naamwoord

huisdier o

  1. (dierkunde) een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
    • De buren hebben een hond als huisdier. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie