dierenwinkel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • die·ren·win·kel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dierenwinkel dierenwinkels
verkleinwoord dierenwinkeltje dierenwinkeltjes

Zelfstandig naamwoord

dierenwinkel m

  1. winkel waar huisdieren, hun voeder en middelen voor het houden van dieren verkocht worden


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie