dierenvel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • die·ren·vel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dierenvel dierenvellen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dierenvel o [1]

  1. de huid van een dier inclusief de beharing
    • Om leer te maken moet je eerst de haren van het dierenvel verwijderen. 
    • Bont is een dierenvel waarvan de haren niet zijn verwijderd. 
    • Als je in 1970 aan oudere mensen in Maasmechelen, een Belgisch dorpje bij Geleen, vroeg of ze wisten wat een weerwolf is, kreeg je anwoorden als: dat was iemand die er ’s nachts op uit ging, met een dierenvel om, of een aardappelzak, en als je dan buiten het dorp over een donker weggetje liep, kwam zo iemand uit de bosjes, sprong op je rug, bleef een tijdje op je rug zitten, en verdween daarna weer. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Berthold van Maris 18 maart 2016