tafel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een tafel met stoelen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·fel
enkelvoud meervoud
naamwoord tafel tafels
[2] tafelen
verkleinwoord tafeltje tafeltjes

Zelfstandig naamwoord

tafel v/m [1]

  1. een meubelstuk bedoeld om iets op te zetten of leggen
    • Zullen we de tafel buiten zetten? Dan kunnen we vanavond buiten eten. 
  2. register[1], lijst[1], tabel, rekenreeks
    • In de lagere school leert men de tafels van vermenigvuldiging 
    • Oorspronkelijke aanwijzende tafel der grondeigenaren en der ongebouwde en gebouwde vaste eigendommen, benevens van derzelver inhouds-grootte, klassering en belastbaar inkomen, volgens het kadaster (Documenttitel in diverse Nederlandse archieven) 
  3. plat stuk materiaal, plaat[1], paneel, vlak
    • De objecttafel is het deel van de microscoop waar het preparaat op gelegd wordt. (In deze betekenis anno 2012 nog gangbaar) 
    • Een tafelberg is een berg met een vlakke top 
    • Toen hieuw hij twee stenen tafelen, gelijk de eerste (Exodus 34:4) 
  4. (verouderd), schilderij, in deze betekenis afgeleid van plank, plaat. Vgl. tafereel[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Iets van tafel vegen., een gespreksonderwerp afkappen Aan tafel gaan, de maaltijd beginnen

Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
tafelen

tafel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tafelen
    • Ik tafel. 
  2. gebiedende wijs van tafelen
    • Tafel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tafelen
    • Tafel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen