tafelen

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·fe·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘ketelmuziek maken’ voor het eerst aangetroffen in 1882 [1]
  • Afgeleid van tafel met het achtervoegsel -en

Zelfstandig naamwoord

tafelen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord tafel
Synoniemen
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tafelen
tafelde
getafeld
zwak -d volledig

Werkwoord

tafelen

  1. inergatief aan tafel zitten om te eten.

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen