preparaat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pre·pa·raat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord preparaat preparaten
verkleinwoord preparaatje preparaatjes

Zelfstandig naamwoord

preparaat o

  1. (wetenschap) bereiding van chemische stof, geneesmiddel etc.
  2. (biologie) deel van plantaardig of dierlijk weefsel gereed voor microscopisch-anatomisch onderzoek
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen