preparaat
Uiterlijk
- pre·pa·raat
- Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘door kunstbewerking bereide stof’ voor het eerst aangetroffen in 1808 [1]
- Naamwoord van handeling van prepareren (met het voorvoegsel pre-) en met het achtervoegsel -aat [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | preparaat | preparaten |
| verkleinwoord | preparaatje | preparaatjes |
het preparaat o
- (wetenschap) bereiding van chemische stof, geneesmiddel etc.
- (biologie) deel van plantaardig of dierlijk weefsel gereed voor microscopisch-anatomisch onderzoek
- Het woord preparaat staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "preparaat" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "preparaat" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ preparaat op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Voorvoegsel pre- in het Nederlands
- Achtervoegsel -aat in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Wetenschap in het Nederlands
- Biologie in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 98 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %