lijst

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lijst
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lijst lijsten
verkleinwoord lijstje lijstjes

Zelfstandig naamwoord

lijst m/v

  1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
    • Ik heb die belangrijke lijst thuis laten liggen. 
  2. een rand in een speciale vorm om iets in te vatten, zoals een schilderij
    • Kijk toch eens naar die mooie lijst om dat portret. 
  3. een kader of omtrek
    • Op die afbeelding hebben alle afbeeldingen een lijst. 
  4. een vooruitspringende rand aan een gebouw
    • De lijst van die gevel is niet erg mooi. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
lijsten

lijst

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van lijsten
  2. gebiedende wijs van lijsten
vervoeging van
lijzen

lijst

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lijzen
    • Jij lijst. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lijzen
    • Hij lijst. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van lijzen
    • Lijst! 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl