tafelbel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

tafelbel
Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·fel·bel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tafelbel tafelbellen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tafelbel v/m [1]

  1. (huishouden) een bel waarmee men het personeel kon laten weten dat men ze nodig had aan tafel
    • Van haar nichtje Anuska kreeg Leny van der Borgt-Martens een klein tafelbelletje uit Zwitserland. „Dat is de start geweest van mijn verzameling, die nu 150 verschillende tafelbellen uit binnen- en buitenland betreft”, schrijft zij. [2] 
    • Hier staat een statussymbool, een sieraad en een hulpstuk in het huishoudelijk functioneren van de paus: de tafelbel. Tot niet heel lang geleden had ieder huishouden van hogere klasse waar personeel rondliep een tafelbel, en lieten families vaak gepersonaliseerde bellen maken met familiewapens en namen erin. [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Telegraaf 16 jun. 2012 Souvenirs
  3. de Volkskrant Wieteke van Zeil23 september 2017 De bel zegt alles. Het gaat over gezag, en luisteren
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be