tafelbel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

tafelbel
Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·fel·bel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tafelbel tafelbellen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tafelbel v/m [1]

  1. (huishouden) een bel waarmee men het personeel kon laten weten dat men ze nodig had aan tafel
    • Van haar nichtje Anuska kreeg Leny van der Borgt-Martens een klein tafelbelletje uit Zwitserland. „Dat is de start geweest van mijn verzameling, die nu 150 verschillende tafelbellen uit binnen- en buitenland betreft”, schrijft zij. [2] 
    • Hier staat een statussymbool, een sieraad en een hulpstuk in het huishoudelijk functioneren van de paus: de tafelbel. Tot niet heel lang geleden had ieder huishouden van hogere klasse waar personeel rondliep een tafelbel, en lieten families vaak gepersonaliseerde bellen maken met familiewapens en namen erin. [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Telegraaf 16 jun. 2012 Souvenirs
  3. de Volkskrant Wieteke van Zeil23 september 2017 De bel zegt alles. Het gaat over gezag, en luisteren