stoel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een stoel.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stoel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stoel stoelen
verkleinwoord stoeltje stoeltjes

Zelfstandig naamwoord

stoel m

  1. een zitmeubel voor één persoon met een rugleuning
    • Halen jullie de stoelen even naar buiten, dan gaan we buiten eten. 
  2. wortelstel met stengelvoet van een plant (-> bananenstoel)
  3. onderstel waar iets op rust (-> dakstoel, klokkenstoel, zaagstoel)
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • in zijn stoel neerploffen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
stoelen

stoel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoelen
    • Ik stoel. 
  2. gebiedende wijs van stoelen
    • Stoel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoelen
    • Stoel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen