stoel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een stoel.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stoel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zitplaats’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord stoel stoelen
verkleinwoord stoeltje stoeltjes

Zelfstandig naamwoord

stoel m

  1. (meubel) een zitmeubel voor één persoon met een rugleuning
    • Halen jullie de stoelen even naar buiten, dan gaan we buiten eten. 
     Terwijl ik goedkeurend met mijn vinger langs de vergulde lambrisering streek, de dikte voelde van de stof van de zware, oker overgordijnen en de stoel wegschoof om de openslaande deuren te openen naar het terras, dat uitzicht bood op de rozentuin, of wat daarvan over was, en de vijver met de defecte fontein, bedacht ik dat ik nog tijd genoeg zou hebben om deze kamer en detail te beschrijven.[3]
  2. wortelstel met stengelvoet van een plant (-> bananenstoel)
  3. onderstel waar iets op rust (-> dakstoel, klokkenstoel, zaagstoel)
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • in zijn stoel neerploffen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
stoelen

stoel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoelen
    • Ik stoel. 
  2. gebiedende wijs van stoelen
    • Stoel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoelen
    • Stoel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

stoel

  1. (meubel) stoel

Meer informatie


Fries

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

stoel

  1. (meubel) stoel

Meer informatie


West-Vlaams

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

stoel

  1. (meubel) stoel

Meer informatie