kruk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Barkrukken.
[2] Krukken
[3] Deurkruk
[4] Krukknop van waterkraan

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kruk
enkelvoud meervoud
naamwoord kruk krukken
verkleinwoord krukje krukjes

Zelfstandig naamwoord

kruk v/m

  1. een simpel zitmeubel zonder leuningen
    • Alle stoelen zijn bezet, maar er staat daar nog wel een kruk. 
  2. een hulpmiddel bij het lopen
    • Hij loopt nu al twee weken met krukken. 
  3. korte vorm van “deurkruk”, een simpel handvat waarmee een deur geopend kan worden
    • Hij draaide de kruk van de deur en stapte binnen. 
  4. (techniek) een dwarsstaafje dat als handgreep dient, en dat haaks door een schacht van een bedieningsknop, gereedschap, etc. steekt
    • Een dopsleutel met een kruk. 
  5. (techniek) een van de centrale as uitstekend deel van een krukas
    • Op de krukken van een krukas komen vaak grote krachten te staan. 
  6. een onhandig persoon
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Pools

Zelfstandig naamwoord

kruk

  1. (dierkunde) raaf
Verbuiging