kruk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Barkrukken.
[2] Krukken
[3] Deurkruk
[4] Krukknop van waterkraan

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kruk
enkelvoud meervoud
naamwoord kruk krukken
verkleinwoord krukje krukjes

Zelfstandig naamwoord

kruk v/m

  1. een simpel zitmeubel zonder leuningen
    Alle stoelen zijn bezet, maar er staat daar nog wel een kruk.
  2. een hulpmiddel bij het lopen
    Hij loopt nu al twee weken met krukken.
  3. korte vorm van “deurkruk”, een simpel handvat waarmee een deur geopend kan worden
    Hij draaide de kruk van de deur en stapte binnen.
  4. (techniek) een dwarsstaafje dat als handgreep dient, en dat haaks door een schacht van een bedieningsknop, gereedschap, etc. steekt
    Een dopsleutel met een kruk.
  5. (techniek) een van de centrale as uitstekend deel van een krukas
    Op de krukken van een krukas komen vaak grote krachten te staan.
  6. een onhandig persoon
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Pools

Zelfstandig naamwoord

kruk

  1. (dierkunde) raaf
Verbuiging