gestoelte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·stoel·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gestoelte gestoelten
gestoeltes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gestoelte o [2]

  1. (formeel) zetel voor hooggeplaatste personen
  2. een samenstel van zitplaatsen
Hyponiemen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen