zitting

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zit·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zitting zittingen
verkleinwoord zittinkje zittinkjes

Zelfstandig naamwoord

zitting v

  1. het gevoerde deel van een stoel waarop men zit
    • Deze zitting moet opnieuw gestoffeerd worden. 
  2. de tijd dat een raad of ander lichaam werkzaam bijeen is
    • De koningin opende de zitting van het parlement. 
  3. ~ nemen in ergens toe toetreden
  4. Een afdichtvlak in een klep of kraan, klepzitting
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie