luns

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • luns
enkelvoud meervoud
naamwoord luns lunzen
verkleinwoord lunsje lunsjes

Zelfstandig naamwoord

luns v/m

  1. (techniek) een metalen spie die vermijdt dat het wiel van de as kan afdraaien

Gangbaarheid

21 % van de Nederlanders;
15 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Galicisch

Zelfstandig naamwoord

luns m

  1. maandag


Dagen in het Galicisch
luns
maandag
martes
dinsdag
mércores
woensdag
xoves
donderdag
venres
vrijdag
sábado
zaterdag
domingo
zondag