paar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • paar

Voornaamwoord

paar

  1. stel, twee van een soort die bij elkaar horen
    Een paar sokken lagen op de grond.
  2. enkele maar niet heel veel
    Neem jij een paar appels mee?
Verwante begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord paar paren
verkleinwoord paartje paartjes

Zelfstandig naamwoord

paar o

  1. een stelletje, twee geliefden die een relatie hebben
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • paar

Onbepaald voornaamwoord

paar

  1. paar
    «Letschde Woch hemmer ee paar scheene warme Daage ghatt.»
    Vorige week hebben we een paar mooie dagen gehad.
Opmerkingen