paar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • paar

Voornaamwoord

paar

  1. stel, twee van een soort die bij elkaar horen
    • Een paar sokken lagen op de grond. 
  2. enkele maar niet heel veel
    • Neem jij een paar appels mee? 
Verwante begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord paar paren
verkleinwoord paartje paartjes

Zelfstandig naamwoord

paar o [1]

  1. een stelletje, twee geliefden die een relatie hebben
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen paar
verbogen pare
partitief paars

Bijvoeglijk naamwoord

paar [2]

  1. even in getal
Antoniemen

Werkwoord

vervoeging van
paren

paar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paren
    • Ik paar. 
  2. gebiedende wijs van paren
    • Paar! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paren
    • Paar je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • paar

Onbepaald voornaamwoord

paar

  1. paar
    «Letschde Woch hemmer ee paar scheene warme Daage ghatt.»
    Vorige week hebben we een paar mooie dagen gehad.
Opmerkingen